ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS: 2026: 204
Datum uitspraak: 25-08-2026
Datum publicatie: 25-08-2026
Zaaknummer(s): A2025/9172
Onderwerp:
Onvoldoende informatie
Onzorgvuldige dossiervorming
Beslissingen: Gegrond, (voorwaardelijke) schorsing inschrijving register
Inhoudsindicatie: Grotendeels gegronde klacht tegen een dermatoloog. De dermatoloog heeft klaagster behandeld met botulinetoxine injecties in de oksels in verband met overmatig transpireren. De dermatoloog heeft klaagster voorafgaand aan de behandeling onvoldoende geïnformeerd, de behandelrelatie zonder gewichtige reden en zonder inachtneming van de daarvoor geldende zorgvuldigheidseisen beëindigd, onzorgvuldig gehandeld bij de verslaglegging en is tekortgeschoten in de communicatie over de klachtenafhandeling en het BIG-registratienummer. Gelet op de ernst en de samenhang van de gegrond bevonden klachtonderdelen, het ontbreken van inzicht in het eigen handelen en een opgelegde berisping in een eerdere tuchtzaak, legt het college een voorwaardelijke schorsing van zes maanden op.
A2025/9172
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 25 augustus 2026 op de klacht van:
A,
wonende te B, klaagster,
tegen
C,
dermatoloog, werkzaam te D,
verweerster, hierna ook: de dermatoloog, gemachtigde: mr. J.M. de Vries, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is door haar huisarts doorverwezen naar de dermatoloog, omdat zij een behandeling
wenste van axillaire hyperhidrosis. Klaagster heeft eerst een intakeconsult gehad, waarna tijdens
een vervolgafspraak een behandeling met botulinetoxine injecties in de oksels is uitgevoerd.
1.2 Klaagster verwijt de dermatoloog dat zij tijdens de intake en de behandeling onprofessioneel
heeft gehandeld, de behandelrelatie eenzijdig heeft beëindigd, onjuiste informatie heeft opgenomen
in het medisch dossier en in de brieven aan de huisarts, tekort is geschoten in de communicatie
over het BIG-registratienummer van de dermatoloog en in de klachtenafhandeling en geen duidelijke
klachtenprocedure faciliteert.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht deels gegrond is. Aan de dermatoloog wordt de
maatregel van een voorwaardelijke schorsing opgelegd. Hierna vermeldt het college eerst hoe de
procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 28 oktober 2025;
- het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 24 november 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- aanvullende stukken van klaagster, binnengekomen op 25 februari 2026, met een brief van haar
behandelend gz-psycholoog en psychiater, schermafdrukken van een Whatsapp-gesprek en
schermafdrukken van het BIG-register;
- het proces-verbaal van het op 10 maart 2026 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- aanvullende stukken van klaagster, binnengekomen op 28 april 2026, met een usb-stick van
geluidsopnamen en een verwijsbrief van de huisarts;
- het verzoek van klaagster om proceskostenveroordeling en aanvullende bewijsstukken,
binnengekomen op 30 juni 2026.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 14 juli 2026. De partijen zijn verschenen. De
dermatoloog werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen en de gemachtigde van de dermatoloog
hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster heeft op 27 mei 2025, na verwijzing van haar huisarts, een intakeconsult gehad bij
de dermatoloog, tevens praktijkhoudster, in verband met een behandeling van hyperhidrosis
(overmatig transpireren). Klaagster had voor de kliniek van de dermatoloog gekozen omdat zij op
zoek was naar een zorgaanbieder waar de behandeling voor vergoeding door haar zorgverzekeraar in
aanmerking kwam.
3.2 De dermatoloog noteerde in het medisch dossier:
“22-05-2025 (…)
afspraak op 04-0702025 voor de hyperhidrosiis in de oksel ( 4 Eh per 0.1cc nacl ) botuline R50EH
2 keer per jaar mag de bahndleing doen uitgeleg gedaan”
3.3 In een brief aan de huisarts van 30 mei 2025 schreef de dermatoloog:
“Op 22 mei 2025 zag ik op mijn spreekuur bovengenoemde patiënt i.v.m. Klachten van overmatig
zweten, gelokaliseerd in de oksels/handen. (…)
Patient werd op dezelfde dag met Botuline injectie voor beide oksels 50 eenheden, 4 eenheden /0,1
ml behandeld. (…)”.
3.4 Op 4 juli 2025 kwam klaagster voor de behandeling bij de dermatoloog. Voordat de behandeling
werd uitgevoerd, werd een informed consent-formulier getekend waarop stond dat de behandeling
“Hyperhidrosis” werd uitgevoerd op 4 juli 2025 en dat een informatiefolder schriftelijk is
ontvangen.
3.5 Tijdens en na de behandeling heeft klaagster gevraagd hoeveel eenheden botulinetoxine de
dermatoloog had gebruikt.
3.6 Na de behandeling heeft klaagster aan de balie bij een medewerker nogmaals gevraagd naar de
eenheden. Klaagster is, nadat zij de kliniek had verlaten, vervolgens terug naar binnen gegaan om
de verpakking van de botulinetoxine te verkrijgen.
3.7 In het medisch dossier noteerde de dermatoloog diezelfde dag:
”Patient vraagt aan het einde van consult nogmaals welke dosering is geplaatst we hebben
bovenstaande informatie doorgegeven tijdens consult vraagt patiënt aan de dermatoloog welke afkomst
ze heeft echter is dit niet van belang tijdens consult”.
3.8 In de brief aan de huisarts van 8 juli 2025 schreef de dermatoloog:
“Bovengenoemde patiente bezocht op 5 juli 2025 ons spreekuur in verband met de behandeling van
hyperhidrosis. (…)
Na afloop van de behandeling vroeg patiente nogmaals hoeveel eenheden er gebruikt waren. De arts
heeft dit duidelijk herhaald. Tevens stelde patiente vervolgens een persoonlijke vraag aan de arts
over diens afkomst, hetgeen de arts als niet passend ervoer binnen de context van het consult.
Na het consult meldde patiente zich bij de balie dat zij niet geïnformeerd was over het aantal
gebruikte eenheden, ondanks dat deze informatie tijdens en na de behandeling duidelijk is
verstrekt.
De arts vond het geen fijne ervaring en verwijst patient terug naar de huisarts. (…)”
3.9 Medio september 2025 nam klaagster kennis van een verwijsbrief die in verband met een andere
zorgvraag was opgesteld en waarin ook haar medische voorgeschiedenis was opgenomen. Daaruit bleek
haar voor het eerst dat de dermatoloog de behandelrelatie had beëindigd. Klaagster was daarvan niet
eerder in kennis gesteld.
3.10 Op 19 september 2025 heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met de kliniek van de
dermatoloog met het verzoek haar het BIG-registratienummer van de dermatoloog te verstrekken.
Klaagster kon de dermatoloog niet met haar naam, zoals vermeld op de website van de kliniek, in het
BIG-register vinden. Na meerdere telefoongesprekken met verschillende medewerkers van de kliniek,
ontving klaagster het BIG-registratienummer niet.
3.11 Op 22 september 2025 heeft klaagster opnieuw telefonisch contact opgenomen met de kliniek,
ditmaal met het verzoek om de contactgegevens van de onafhankelijke klachtenfunctionaris. Aan
klaagster werd medegedeeld dat zij dit verzoek per e-mail diende in te dienen via het algemene
e-mailadres van de kliniek, zoals weergegeven op de website van de kliniek.
3.12 Klaagster heeft vervolgens geprobeerd om een klacht bij de kliniek in te dienen. Daarbij
constateerde zij dat het op de website vermelde e-mailadres voor klachten niet functioneerde. Naar aanleiding daarvan nam zij opnieuw telefonisch contact op met de kliniek, maar heeft toen geen contact met de kliniek kunnen krijgen.
4. De klacht en de reactie van de dermatoloog
4.1 Klaagster verwijt de dermatoloog dat zij:
a) tijdens de intake en de behandeling onprofessioneel heeft gehandeld;
b) de behandelrelatie eenzijdig heeft beëindigd;
c) onjuiste informatie heeft opgenomen in het medisch dossier en in de brieven aan de huisarts;
d) tekort is geschoten in de klachtenafhandeling en de communicatie over het BIG-registratienummer;
e) geen duidelijke klachtenprocedure faciliteert.
4.2 De dermatoloog heeft verweer gevoerd en het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of dermatoloog zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende dermatoloog. Bij de beoordeling wordt
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) Onprofessioneel handelen tijdens intake en behandeling
5.2 Uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is het college gebleken dat klaagster
voorafgaand aan de behandeling onvoldoende is geïnformeerd over de aard en inhoud van de
voorgenomen behandeling van hyperhidrosis met botulinetoxine injecties. De dermatoloog heeft de
mogelijke complicaties en bijwerkingen niet met klaagster besproken en evenmin de beschikbare
behandelingsalternatieven. Hierdoor heeft geen zorgvuldig proces van samen beslissen (shared
decision making) kunnen plaatsvinden. Ook uit het door klaagster ondertekende informed
consent-formulier blijkt niet welke concrete behandeling van de hyperhidrosis zou worden
uitgevoerd. Op het formulier is uitsluitend de aandoening ‘hyperhidrosis’ vermeld. In het medisch
dossier staat wel dat de dermatoloog uitleg heeft gegeven, maar daaruit blijkt niet welke uitleg is
gegeven en wat door de dermatoloog met klaagster is besproken.
5.3 Het college is van oordeel dat de dermatoloog daarmee onvoldoende invulling heeft gegeven aan
haar informatieplicht en heeft nagelaten klaagster in staat te stellen een weloverwogen keuze te
maken over de voorgenomen behandeling. Dit is in strijd met de uitgangspunten van informed consent
en samen beslissen (shared decision making).
5.4 Dit klachtonderdeel is gegrond.
Klachtonderdeel b) Het eenzijdig beëindigen van de behandelrelatie
5.5 Het college stelt vast dat de dermatoloog op 8 juli 2025, enkele dagen na de behandeling, in
haar brief aan de huisarts heeft vermeld dat zij klaagster terugstuurde naar de huisarts en daarmee
dus de behandelrelatie wilde beëindigen. Als reden daarvoor heeft de dermatoloog opgenomen dat zij
de behandeling "geen fijne ervaring" vond, wat verband hield met de aanhoudende vragen van
klaagster over de toegepaste dosering en een door klaagster gestelde persoonlijke vraag. De
dermatoloog heeft in haar verweerschrift aangevoerd dat geen sprake was van een beëindiging van een
bestaande behandelovereenkomst, maar van de aanzegging dat zij, indien een vervolgbehandeling
noodzakelijk zou blijken, geen nieuwe behandelovereenkomst met klaagster zou aangaan. De
dermatoloog heeft daarbij erkend dat zij klaagster hierover had behoren te informeren.
5.6 Het college overweegt als volgt. Uit het medisch dossier blijkt dat tijdens de intake met
klaagster is besproken dat de behandeling zo nodig tweemaal per jaar kon worden uitgevoerd.
Vaststaat voorts dat dit de eerste behandeling van klaagster betrof en dat de dermatoloog al vier
dagen na die behandeling besloot de behandelrelatie (eenzijdig) te beëindigen. Onder deze
omstandigheden kan het onderscheid dat de dermatoloog maakt tussen het beëindigen van een bestaande
behandelovereenkomst en het niet-aangaan van een toekomstige behandelovereenkomst haar niet baten.
Feitelijk heeft de dermatoloog besloten geen verdere zorg meer aan klaagster te willen verlenen.
5.7 Uit het medisch dossier blijkt verder niet van een gewichtige reden die een eenzijdige
beëindiging van de behandelrelatie rechtvaardigt. Volgens de KNMG-richtlijn “Niet-aangaan of
beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst (2021)” is beëindiging door een arts
slechts toegestaan indien daarvoor gewichtige redenen bestaan en dient de arts daarbij grote
terughoudendheid te betrachten, mede gelet op de gezondheidstoestand van en de
afhankelijkheidsrelatie met de patiënt. Ter zitting noemde de dermatoloog aanvullende
omstandigheden die haar tot de beëindiging van de behandelrelatie brachten, namelijk dat klaagster
de verpakking van de botulinetoxine uit de prullenbak zou hebben gestolen en dat medewerkers aan de
balie klaagster als onprettig hadden ervaren. Deze omstandigheden vinden echter geen steun in het
medisch dossier of andere objectieve stukken en zijn daarom voor het college niet verifieerbaar.
5.8 Daar komt bij dat de dermatoloog de zorgvuldigheidseisen die gelden bij beëindiging van een
behandelrelatie niet in acht heeft genomen. Klaagster is niet vooraf gewaarschuwd dat beëindiging
van de behandelrelatie werd overwogen, zij is niet over de beëindiging geïnformeerd en haar is geen
redelijke termijn geboden om desgewenst een andere behandelaar te vinden. Integendeel, klaagster
heeft pas geruime tijd later, via een aan de huisarts gerichte verwijsbrief in verband met een
andere zorgvraag, kennisgenomen van het feit dat de dermatoloog de behandelrelatie (eenzijdig) had
beëindigd. Daarbij weegt het college mee dat de dermatoloog wist dat klaagster zich juist tot haar had gewend omdat de behandeling binnen haar praktijk onder de verzekerde zorg viel. Onder deze omstandigheden heeft de
dermatoloog niet de zorgvuldigheid betracht die van haar mocht worden verwacht.
5.9 Dit klachtonderdeel is gegrond.
Klachtonderdeel c) Onjuiste verslaglegging in het medisch dossier en in de brieven aan de huisarts
5.10 Het college stelt vast dat de aan de huisarts verzonden brieven feitelijke onjuistheden
bevatten. Zo komen de daarin vermelde data niet overeen met de feitelijke gang van zaken en is in
de brief naar aanleiding van de intake vermeld dat de behandeling diezelfde dag heeft
plaatsgevonden, terwijl dat niet het geval was. De dermatoloog heeft in haar verweerschrift
uitgelegd dat dit kwam doordat de brief automatisch is gegenereerd. Ter zitting verklaarde zij dat
de brieven door de assistente worden opgesteld en dat zij deze normaliter achteraf controleert. In
dit geval heeft die controle kennelijk niet plaatsgevonden.
5.11 Het college is van oordeel dat de dermatoloog hiermee onzorgvuldig heeft gehandeld. Het
behoort tot de eigen professionele verantwoordelijkheid van de behandelend arts om erop toe te zien
dat medische correspondentie aan andere zorgverleners juist en volledig is. Dat de brieven door een
assistente zijn opgesteld of automatisch zijn gegenereerd, doet aan die persoonlijke
verantwoordelijkheid niet af. Daar komt bij dat de onjuistheden niet zijn gecorrigeerd nadat deze
aan het licht waren gekomen.
5.12 Dit klachtonderdeel is gegrond.
Klachtonderdeel d) Tekortschieten in de communicatie over de klachtenafhandeling en het
BIG-registratienummer
5.13 Vaststaat dat de dermatoloog voor klaagster niet vindbaar was in het BIG-register, omdat zij
daarin met haar voornaam als achternaam stond geregistreerd. Klaagster heeft herhaaldelijk
telefonisch verzocht om verstrekking van het BIG-registratienummer van de dermatoloog of de naam
waaronder de dermatoloog was geregistreerd, maar deze informatie is haar niet verstrekt. De
dermatoloog heeft erkend dat dit niet juist is geweest. Voorts is gebleken dat klaagster zich met
haar klacht tot meerdere e-mailadressen - die op de website van de kliniek stonden vermeld - heeft
gewend, waarvan één op dat moment niet langer in gebruik was.
5.14 Het college is van oordeel dat de dermatoloog als praktijkhoudster verantwoordelijk is voor
een deugdelijke organisatie van de praktijk en voor een correcte afhandeling van verzoeken van
patiënten als hier aan de orde. Daartoe behoort dat medewerkers beschikken over de juiste
informatie en dat een patiënt desgevraagd het BIG-registratienummer van de behandelaar kan
verkrijgen of kan achterhalen.
5.15 Daar komt bij dat het college niet heeft kunnen vaststellen dat de dermatoloog haar
registratiegegevens in het BIG-register inmiddels heeft laten corrigeren. Tijdens het mondeling
vooronderzoek op 10 maart 2026 heeft de dermatoloog aangekondigd daartoe een verzoek bij het
CIBG/BIG-register te zullen indienen, maar ter zitting heeft de dermatoloog desgevraagd niet kunnen
bevestigen dat dit is gebeurd. De dermatoloog wist niet wat de status was en haar assistente heeft
ter zitting meegedeeld dat er contact met het CIBG opgenomen was, maar dat er nog geen verzoek was
ingediend. Ook hiervoor draagt de dermatoloog zelf de verantwoordelijkheid.
5.16 Dit klachtonderdeel is gegrond.
Klachtonderdeel e) Ontbreken van een duidelijke klachtenregeling
5.17 Ten aanzien van de klachtenregeling overweegt het college dat weliswaar is gebleken dat de
communicatie over de afhandeling van de klacht niet steeds zorgvuldig is verlopen (zie
klachtonderdeel d), maar dat niet is komen vast te staan dat de kliniek niet beschikte over een
duidelijke of deugdelijke klachtenregeling. Vaststaat dat klaagster uiteindelijk contact heeft
gehad met de onafhankelijke klachtenfunctionaris. Daarnaast is gebleken dat op de website van de
kliniek informatie is opgenomen over de klachtenregeling, de wijze waarop een klacht kan worden
ingediend en de mogelijkheid om, indien een oplossing uitblijft, een geschil aan de
Geschillencommissie Zorg voor te leggen. Dat op de website van de kliniek ook nog een e-mailadres
stond dat niet langer in gebruik was, is onvoldoende om dit klachtonderdeel gegrond te achten. Voor
de volledigheid merkt het college op dat het niet werkende e-mailadres inmiddels van de website is
verwijderd.
5.18 Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.19 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel a) tot en met d) gegrond zijn en
klachtonderdeel e) ongegrond.
Maatregel
5.20 Het college stelt vast dat de dermatoloog op meerdere onderdelen in strijd heeft gehandeld
met de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden
verwacht. Zij heeft klaagster voorafgaand aan de behandeling onvoldoende geïnformeerd, de
behandelrelatie zonder gewichtige reden en zonder inachtneming van de daarvoor geldende
zorgvuldigheidseisen beëindigd, onzorgvuldig gehandeld bij de verslaglegging en is tekortgeschoten
in de communicatie over de klachtenafhandeling en het BIG-registratienummer.
5.21 Bij het bepalen van de op te leggen maatregel weegt het college mee dat de dermatoloog ter
zitting onvoldoende blijk heeft gegeven van inzicht in het onzorgvuldige karakter van haar
handelen. In plaats van daarop te reflecteren, heeft zij zich meermalen in negatieve bewoordingen
over klaagster uitgelaten, gewezen op de psychische gesteldheid van klaagster en het handelen van haar medewerkers aangevoerd ter rechtvaardiging van haar eigen (niet) handelen. Het college heeft geen blijk gezien van zelfreflectie, begrip voor de positie van klaagster of besef van haar eigen professionele verantwoordelijkheid. Het college betrekt daarbij ook dat aan de dermatoloog recentelijk (ECLI:NL:TGZRAMS
het onvoldoende betrekken van een patiënt bij de besluitvorming over de behandeling (shared
decision making). Deze maatregel dateert weliswaar van na de indiening van de onderhavige klacht en
de gebeurtenissen waarop de klacht is gebaseerd, maar ter zitting heeft de dermatoloog er geen
blijk van gegeven van de eerdere beslissing te hebben geleerd, hetgeen het college zorgen baart.
5.22 Gelet op de ernst en de samenhang van de gegrond bevonden klachtonderdelen, het ontbreken van
inzicht in het eigen handelen en de eerder opgelegde berisping acht het college de maatregel van
een voorwaardelijke schorsing van zes maanden met een proeftijd van twee jaar passend en geboden.
Publicatie
5.23 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin
gelegen dat andere dermatologen mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
Kostenveroordeling
5.24 Klaagster heeft verzocht de dermatoloog te veroordelen in de kosten die zij heeft gemaakt in
deze procedure, bestaande uit de reiskosten voor het mondeling vooronderzoek en de zitting, de
aanschaf van een USB-stick en verzendkosten voor het toezenden van stukken aan het college. Een
kostenveroordeling is mogelijk als het college de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart en aan de
zorgverlener een maatregel oplegt.
5.25 Het college concludeert dat uitsluitend de reiskosten voor vergoeding in aanmerking komen en
veroordeelt de dermatoloog in de forfaitair vastgestelde reiskosten van klaagster ten bedrage van € 100,-.
5.26 Het college zal de dermatoloog veroordelen dit bedrag – nadat deze uitspraak onherroepelijk
is geworden – te voldoen op de bankrekening van klaagster, binnen vier weken nadat zij schriftelijk
het bankrekeningnummer en de tenaamstelling van de bankrekening waarop het bedrag kan worden
gestort heeft laten weten.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel a) tot en met d) gegrond;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- schorst de bevoegdheid van de dermatoloog om de aan de inschrijving in het register verbonden
bevoegdheden uit te oefenen voor de duur van zes maanden;
- beveelt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het college later anders
mocht bepalen omdat de dermatoloog zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren schuldig
heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die zij als
dermatoloog behoort te betrachten, of in strijd is met hetgeen een behoorlijk dermatoloog betaamt;
- bepaalt dat de proeftijd ingaat op de dag dat deze beslissing onherroepelijk is geworden;
- bepaalt dat de proeftijd uitsluitend loopt gedurende de periode dat de dermatoloog in het
register is ingeschreven en bevoegd is de daaraan verbonden bevoegdheden uit te oefenen;
- veroordeelt de dermatoloog in de vastgestelde kosten van klaagster van € 100,- en gelast haar
dit bedrag te voldoen op de bankrekening van klaagster binnen vier weken nadat zij haar
schriftelijk het bankrekeningnummer en de tenaamstelling van de bankrekening waarop dit bedrag kan
worden gestort heeft laten weten;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter
publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door W.A.H. Melissen, voorzitter, L.J. Knap, lid-jurist,
R.J. Borgonjen, E.J.M. van Leent en M.B. Visch, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
C.I.M. de Haan, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
Bron


